CrossOvernieuws
Werkgever ondergeschoven kindje in Werken naar vermogen
De nieuwe Wet werken naar vermogen zou het voor werkgevers makkelijker moeten maken om mensen zonder werk in dienst te nemen. Ton de Kok constateert dat aan een aantal essentiële voorwaarden om tot een succesvolle wet te komen, niet is voldaan.
Onlangs is overeenstemming bereikt over de inhoud van het Bestuursakkoord 2011-2015. Voor gemeenten gaat het hierbij onder andere om de nieuwe Wet werken naar vermogen (Wwnv) die per 1 januari 2013 wordt ingevoerd. In deze wet worden de regelingen Wet werk en bijstand (Wwb), Wet investeren in jongeren (Wij), Wajong en Wet sociale werkvoorziening (Wsw) samengevoegd. Daarmee worden vier verschillende doelgroepen samengesmeed tot een. Eindelijk lijkt de overheid tegemoet te komen aan de wens van werkgevers om de uitvoering met betrekking tot de herplaatsing van werkzoekenden in regulier werk simpel en transparant te houden. Maar is dat ook zo? Komt de nieuwe Wwnv wel op een adequate wijze aan deze wens tegemoet?
Werkgevers raken steeds meer doordrongen van het feit dat ze verder moeten kijken dan hun neus lang is om op de langere termijn in hun personeelsbehoefte te kunnen voorzien. Ze zijn in toenemende mate bereid om mensen met een beperkte productiviteit regulier in dienst te nemen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Bij de invulling van vacatures zijn werkgevers niet geïnteresseerd in de afkortingen die aan doelgroepen plakken. Ze zijn primair op zoek naar mensen die passen binnen hun bedrijfscultuur en die doen wat ze moeten doen. Bij mensen met een beperkte productiviteit staat centraal hoe structurele risico’s, zoals beperkt blijvende productiviteit en hoger ziekteverzuim, weggenomen of gecompenseerd worden. En hoe de werkgever hierin gefaciliteerd en ondersteund wordt.
Op dit moment leven in Nederland nog 1,4 miljoen mensen van een uitkering, waarvan er 500.000 nog kunnen werken. Het huidige beleid is terecht gericht op zoveel mogelijk mensen regulier aan het werk krijgen. Dit geldt ook voor mensen met een Wwb-, Wij- of Wajonguitkering en mensen in de sociale werkvoorziening. Het samenbrengen van deze uitkeringsgerechtigden onder één regeling is een eerste stap in de goede richting.
De vraag is echter waarom de Wwnv alleen betrekking heeft op de genoemde doelgroepen. Waarom niet op de WAO/WIA-uitkeringsgerechtigden, de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA), niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) en WW? Hele doelgroepen met bijbehorende stigma’s blijven op deze manier overeind. De overheid moet kiezen voor een eenduidige regeling voor eenieder die ondersteuning en begeleiding nodig heeft om duurzaam aan de slag te gaan. Institutionele belangen staan een dergelijke keuze in de weg.
Het feit dat de gemeenten de nieuwe regeling gaan uitvoeren brengt een ander zorgpunt met zich mee. Tenzij er centraal gekozen en gestuurd wordt op een eenduidige, transparante bekostigings- en ondersteuningssystematiek, bestaat het risico van een lappendeken aan regelingen en verordeningen per gemeente. En dan ontstaat net als onder de Wwb weer de situatie dat de werkgever, op het moment dat hij mensen uit meerdere gemeenten in dienst wil nemen, geconfronteerd wordt met het bekende woud aan regelingen, zich weer omdraait en wegloopt. Het is tijd voor een paradigmashift: niet hoe we mensen uit een uitkering aan de slag krijgen dient centraal te staan, maar hoe we werkgevers dusdanig kunnen ontzorgen dat zij mensen vanuit een uitkering in dienst nemen.
Auteur Ton de Kok
Kok is senior accountmanager bij Wissenraet Van Spaendonck, dienstverlener op het gebied van belangenbehartiging van bedrijven.
Bron: SC Online

